‘Met alleen begrip genees je het trauma niet’

Medicatie en (cognitieve) therapie zijn niet genoeg om trauma te genezen. De Amerikaans- Nederlandse psychiater Bessel van der Kolk, die wereldwijd wordt beschouwd als een van de belangrijkste experts op dit gebied, kiest voor alternatievere behandelingen als aanrakingen, yoga, theater, EMDR, MDMA (een werkzame stof in XTC) en neurofeedback. ‘Het lichaam moet gekalmeerd worden.’

Mishandeling, misbruik, een ernstig ongeval. Psychiater Bessel van der Kolk denkt dat ongeveer zeventig procent van de mensen in de Verenigde Staten een traumatische ervaring heeft gehad. ‘De cijfers in Nederland ken ik niet. Ik wil graag geloven dat die lager liggen’, zegt hij in een kort interview aan de telefoon. Hij stelt dat veel mensen die psychiatrische hulp zoeken traumatische ervaringen hebben.  Ze hebben vaak klachten als slapeloosheid, controleverlies, depressie en angsten. Toch herkent de hulpverlening niet altijd de oorzaak van de klachten.

Veertig jaar onderzoek

De van oorsprong Nederlandse Bessel van der Kolk (1943) is wereldwijd een belangrijke expert op het gebied van trauma. Op zijn achttiende vertrok hij naar de Verenigde Staten voor een studie medicijnen en psychiatrie. In 1982 richtte hij het Trauma Center opals onderdeel van de Harvard Medical School. In 2016 verscheen zijn bijna vijfhonderd pagina dikke boek Traumasporen. Een verslag  van veertig jaar onderzoek naar het thema. Van der Kolk geeft af en toe, onder overweldigende belangstelling, lezingen en congressen in Nederland.

Blijven vastzitten

Al vroeg in zijn carrière ging Van der Kolks interesse uit naar de behandeling van trauma. Hij definieert trauma als een overweldigende gebeurtenis die je niet kunt loslaten. Een belangrijk kenmerk van trauma is dat mensen blijven vastzitten in wat hen is overkomen. De overweldigende ervaring wordt afgesplitst en versnipperd (dissociatie) en verandert de manier waarop je reageert en naar de wereld kijkt. Die strategie zorgt ervoor dat getraumatiseerde mensen vaak zeggen dat ze weinig voelen en zichzelf verachten.

Levenslange gevolgen

Op de lange termijn verandert trauma het brein. Het remmend vermogen van de frontale hersenkwabben raakt verstoord waardoor mensen bijvoorbeeld razend kunnen worden door de kleinste tegenslagen. Of volledig verstijven als ze worden aangeraakt. Vooral trauma’s die in de kindertijd zijn ontstaan, bijvoorbeeld door misbruik of verwaarlozing, hebben vaak levenslange gevolgen. Van der Kolk: ‘Als je als kind trauma hebt meegemaakt, dan wordt het lastiger om als volwassene moeilijke ervaringen te verwerken.’

Innerlijke chaos

Na het trauma is alle energie gericht op het onderdrukken van de innerlijke chaos ten koste van de spontane deelname aan het leven. Volgens Van der Kolk kunnen de pogingen om controle te houden op den duur leiden tot een hele reeks lichamelijke symptomen als fybromyalgie, chronische vermoeidheid en andere auto-immuunziektes.

Waarom medicatie niet helpt

Tijdens zijn studie begon de opmars van  de psychofarmaca in de geestelijke gezondheidszorg.  Van der Kolk deed zelf onderzoek naar het effect van Prozac bij de behandeling van trauma. In zijn boek schrijft hij  dat mensen er baat bij kunnen hebben omdat geneesmiddelen helpen om gevoelens en gedrag onder controle te houden. Maar hij concludeerde ook dat psychofarmaca trauma niet kan genezen. Bovendien is de keerzijde van medicatie dat ook de chemische systemen die pijn, betrokkenheid, motivatie en genot reguleren, geblokkeerd raken. Daarnaast leren mensen door het gebruik van geneesmiddelen de waardevolle les van zelfregulatie niet.

Verbaasd

Aan de telefoon zegt Van der Kolk dat het hem verbaast dat er nog steeds mensen zijn die denken dat medicatie echt het verschil uitmaakt. ‘Terwijl we uit onderzoek weten dat dat meestal niet het geval is. Dat er nog steeds veel gebruik wordt gemaakt van medicatie is ook te wijten aan de beïnvloeding van de psychiatrie door de farmaceutische industrie.’

Waarom alleen praten niet helpt

Ook cognitieve gedragstherapie, of andere vormen van therapie waarin praten over het trauma de essentie van de behandeling vormt, is niet voldoende, volgens Van der Kolk. ‘Trauma heeft effect op het hele lichaam. Als je gevaar registreert, reageer je direct ook op fysiek niveau. Je gaat onder meer stresshormonen produceren. Als je als kind in een omgeving leeft waarin je continu bang bent, ontwikkel je een brein en een lichaam dat zich niet veilig voelt’, verduidelijkt hij. ‘Je lichaam sluit zich af zodat je geen pijn en kwetsing voelt.’ Traumapatiënten hebben daarom behoefte aan kalmering van het lichaam, stelt hij. ‘En dat fysieke niveau bereik je niet met alleen praten.’ Toch is ook praten belangrijk, vindt hij. ‘Je moet kunnen zeggen en begrijpen wat er aan de hand is. Als er gezwegen wordt, houd je geheimen binnen. Maar met alleen begrijpen waarom je zo bang, boos en gefrustreerd bent, genees je het trauma niet.’

Lichaamsgerichte aanpak

Van der Kolks jarenlange onderzoek en ervaringen leiden tot het besef dat het hele organisme van lichaam, hersenen en geest behandeld moet worden om trauma te genezen. Het evenwicht en het contact met het eigen lichaam moeten op een diep niveau worden hersteld. ‘Mensen moeten leren hoe ze hun fysiologische reacties weer kunnen reguleren. En dat kun je doen met aanraking, beweging en ademhaling.’

Schommelen en trampoline springen

Elkaar vasthouden, wiegen en spelen, zijn bijvoorbeeld natuurlijke en eenvoudige methodes om stress te reguleren. Lichamelijk contact kan helpen om mensen te laten ervaren dat ze veilig zijn en het gevaar is geweken. In zijn traumacentrum laat Van der Kolk kinderen bijvoorbeeld op een trampoline springen, schommelen en balanceren op een evenwichtsbalk. Ze worden voorzichtig aangeraakt of er wordt een deken om ze heen geslagen. Volgens Van der Kolk zijn de resultaten verbluffend en raken ze op die manier vertrouwd met hun lichaam. ‘En als het lichaam kalmeert, is er ook vooruitgang te zien in hun taalgebruik.’

Effecten EMDR

Andere vormen van therapie die hij zijn patiënten adviseert, zijn yoga, EMDR, theater, neurofeedback en MDMA (ecstasy). Hij verrichtte zelf onderzoek naar deze methodes. In zijn onderzoek naar  EMDR (Eye Movement Desensitization and Reprocessing) bijvoorbeeld vergeleek hij patiënten die een EMDR behandeling ondergingen met groepen patiënten die een standaarddosering Prozac en een placebo kregen. De groep die Prozac slikte deed het iets beter dan de groep die een placebo kreeg. De patiënten die een EMDR behandeling kregen deden het beduidend beter dan de twee andere groepen. Na acht maanden was 73 procent van de patiënten die een EMDR behandeling hadden ondergaan volledig genezen. Een andere opmerkelijke conclusie was dat dat niet gold voor volwassenen met een jeugdtrauma. Dit bevestigde eerdere conclusies dat chronisch misbruik in de kindertijd leidt tot andere effecten dan op zichzelf staande traumatische gebeurtenissen in de volwassenheid.

Effecten yoga

Uit het onderzoek naar yoga als therapie kwam naar voren dat het mensen kan kalmeren en helpen om beter naar hun lichaam te luisteren ‘Bij yoga leer je dat elke gewaarwording een hoogtepunt bereikt en dan weer afzakt’, schrijft Van der Kolk in zijn boek.  ‘Als een instructeur je bijvoorbeeld uitnodigt om een bijzonder uitdagende houding aan te nemen, voel je misschien eerst verslagenheid of weerstand omdat je ervan uitgaat dat je de gevoelens die opgeroepen worden door deze pose niet zult kunnen verdragen. Een goede yogadocent zal je aanmoedigen om de spanning eenvoudigweg op te merken, terwijl je bijhoudt wat je voelt aan de hand van het ritme van je ademhaling. Dit helpt je om te anticiperen op het einde van het ongemak en versterkt je vermogen om met fysiek en emotioneel ongenoegen om te gaan.’

Intense emoties reguleren

Al deze vormen van therapie richten zich niet alleen op het reguleren van intense emoties die door trauma worden opgeroepen. Ze herstellen ook het gevoel van zelfbeschikking, betrokkenheid en verbinding via de zeggenschap over lichaam en geest, volgens Van der Kolk. Hoe kijken collega’s en vakgenoten aan tegen deze methodes, die overigens door alternatievere therapeuten al langere tijd worden toegepast? Van der Kolk zegt zich daar niet mee bezig te houden. ‘We leven allemaal in onze eigen wereld. Ik kan niet zeggen hoe ik daar in pas. Ik weet alleen maar dat ontzettend veel mensen mijn boek lezen. En ik daar elke dag enthousiaste brieven over ontvang.’

Gepubliceerd op www.zorgwelzijn.nl op 30 oktober 2019

Geplaatst in Nieuws | Laat een bericht achter

Agressie, we zijn er klaar mee

Patiënten die je uitschelden, kleineren of zelfs een klap uitdelen. Veel verpleegkundigen hebben ermee te maken, soms zelfs bijna dagelijks. Dat blijkt ook uit de reacties op een blog hierover op Nursing.nl. Agressie lijkt meer dan ooit een probleem. Wat kunnen we eraan doen?

Verpleegkundige Sandra werd tijdens de nachtdienst een keer bij de keel gegrepen door een patiënt met Parkinson. Ze werkte toen nog op de afdeling neurologie van een ziekenhuis. ‘De patiënt had wanen,’ vertelt ze. ‘Hij drukte mijn keel dicht, ik kon niet meer ademen. Gelukkig kon ik me met hulp van een stagiaire losrukken.’ Sandra was flink geschrokken, maar heeft er naar eigen zeggen niks aan overgehouden. Nu werkt ze in een verpleeghuis met PG-cliënten. Haar overstap heeft beslist ook te maken met de situatie in het ziekenhuis. ‘Er was steeds minder personeel, zeker in de nacht. Eerst werkten we met zijn drieën. Op het laatst stond je in je eentje met een stagiaire. Het voelde niet veilig en soms bedreigend. Een van de patiënten zei eens: “Oh, dus jij werkt in je eentje.” Van collega’s hoorde ik ook dat ze wel eens bedreigd zijn. Het maakt je ervan bewust hoe kwetsbaar je bent.En als ik er dan wat van zei tegen een leidinggevende, dan kon er weinig aan gedaan worden.’

Sandra is niet de enige verpleegkundige die zich soms aangevallen en bedreigd voelt. Zo was de blog ‘Ik laat me niet meer uitschelden’ van oncologieverpleegkundige Marjolein in 2018 het meest gelezen item op Nursing.nl (zie kader). Marjolein beklaagt zich over de werkdruk op haar afdeling, die ten koste gaat van aandacht en tijd voor de patiënt. Patiënten voelen dit en sommigen komen in opstand. Marjolein en haar collega’s krijgen steeds vaker een sneer, een persoonlijke veeg uit de pan. De situatie is zo ernstig dat ze erover denkt om de zorg te verlaten. Uit de reacties op onze site en op Facebook blijkt dat verpleegkundigen de situatie herkennen en soms bijna dagelijks meemaken. ‘Dit komt helaas ook geregeld voor in de thuiszorg,’ schrijft een verpleegkundige. ‘Al is de cliënt nog zo ziek, dit mag geen excuus zijn om maar alles te mogen zeggen of te slaan.’

Agressie toegenomen?
Agressie in de zorg is al jaren een item dat geregeld het nieuws haalt. In 2012 lanceerde de regering in samenwerking met andere partijen het programma ‘Veilig werken in de zorg’ dat agressie tegenover zorg- en hulpverleners moest terugdringen. Toch blijkt uit een werknemersenquête van  Arbeidsmarkt  Zorg en Welzijn (AWZ)dat 35% van de zorgmedewerkers de agressie in de zorg het voorgaande jaar zag toenemen. 63% vond dat de situatie hetzelfde was gebleven. Op de Nursing Experience in december 2017 vroegen medewerkers van IZZ (ledencollectief van mensen in de zorg)verpleegkundigen naar hun ervaringen op dit vlak. 80% had het voorbije jaar te maken gehad met verbaal geweld, 58% met fysiek geweld.

Is er dan helemaal niets gebeurd de afgelopen jaren? Jacqueline Joppe, lid van organisatie van zorgondernemers Actiz  en bestuurder van een verpleeg- en verzorgingshuis, denkt van wel. ‘De bewustwording over dat agressie en geweld in de zorg niet acceptabel is, is gegroeid. Vroeger werd eerder gevonden dat het erbij hoorde, zeker bij patiënten met psychiatrische ziektebeelden of dementie. Ook wordt er absoluut meer scholing gegeven over hoe je met agressie moet omgaan dan een aantal jaar geleden.’

Tolerantie
Agressie is een subjectief begrip. Wat de een nog acceptabel vindt, is voor de andere onverteerbaar. Als de tolerantie minder wordt, zullen zorgprofessionals voorvallen wellicht sneller als agressie-incidenten gaan zien, wat kan verklaren dat 35% van de zorgmedewerkers de agressie in de zorg het voorgaande jaar zag toenemen. Maar dat is niet de enige verklaring.

Mathilde Bos, verpleegkundige en onder meer docent en trainer agressiehantering, ziet dat de tolerantie voor geweld in de samenleving is afgenomen. ‘Vroeger was het bijvoorbeeld veel normaler dat kinderen op school en thuis wel eens geslagen werden. Dat kan nu echt niet meer.’ Tegelijkertijd is het respect voor gezagsdragers, als de dokter, de verpleegkundige en de politie, minder geworden. Mensen gaan sneller op hoge poten verhaal halen. Maar als Bos de blog van Marjolein leest, dan speelt daar iets heel anders. Marjolein en haar collega’s zijn bezig met een soort massaproductie van zorg. Bos vindt het eerder vreemd dat er niet nog meer klachten komen. ‘Die patiënten komen net uit de operatie. Ze hebben pijn, ze zijn bang. En dan krijgen ze te maken met verpleegkundigen die lopen te rennen en te vliegen. Het is een situatie die om agressie vraagt.’

Ook Gerben Bergsma en Sjors Verdiesen, beiden ex-verpleegkundigen en nu trainers in het omgaan met agressie, denken dat aspecten als werkdruk en personeelstekort kunnen bijdragen aan een stijging van het aantal agressie-incidenten. Verdiesen: ‘Zeker als het om agressie gaat die voortkomt uit emotie en onmacht van de patiënt. Dan is het belangrijk om empathisch te zijn en daar aandacht aan te kunnen geven. Doe of kun je dat niet, dan levert dat vaak nog meer agressie op.’ Bergsma: ‘Bij agressie-incidenten zijn altijd twee partijen betrokken. Als je als verpleegkundige rustig en ontspannen bent, dan kun je veel meer hebben en de-escalerend reageren, dan wanneer je op je tandvlees loopt en honderd dingen tegelijk moet doen.’

Ook in België is het probleem bekend. ‘Ik word vaak geconfronteerd met scheldpartijen en vloeken,’ reageert een verpleegkundige van een chirurgische afdeling in een Vlaams ziekenhuis op de column van Marjolein. ‘Je wordt gedwongen om een grens te stellen en te zeggen: “Hier stopt het. Dit pik ik niet.”

Administratie gaat ten koste van aandacht
Uit recent onderzoek van Tina Van­­de­casteele (onder meer onderzoeker aan het Universitair Centrum voor Verpleegkunde en Vroedkunde) en professor Sofie Verhaeghe (begeleider van het onderzoek) blijkt dat bijna 90% van de ziekenhuisverpleegkundigen verbale of fysieke agressie ervaart. Bij thuisverpleegkundigen is dat 78%. Bijzonder is dat Vandecasteele niet alleen (769) verpleegkundigen interviewde voor haar onderzoek, maar ook patiënten vroeg waarom zij zich soms agressief gedragen tegenover hulpverleners. Een van de verklaringen die de onderzoekers op grond daarvan formuleren, is dat verpleegkundigen tegenwoordig te veel tijd en aandacht aan administratie moeten besteden. Dat gaat vaak ten koste van de zorg voor de patiënt, die daardoor sneller geïrriteerd raakt. Vandecasteele vindt het een serieus probleem. De zorgsector zou moeten nadenken over hoe de procedures en de zorg voor de patiënt op een goede manier te combineren zijn.1

‘Werkdruk en personeelstekort dragen bij aan een stijging van het aantal agressie-incidenten’

Wendbaarheid
Zaken als te weinig personeel en te veel administratie zijn niet makkelijk op de korte termijn op te lossen. Kan er überhaupt iets gedaan worden aan het beperken van het aantal agressie-incidenten? De trainers denken van wel. Hoe je als verpleegkundige reageert, kan bijvoorbeeld bepalend zijn voor het wel of niet escaleren van een incident (zie kader). Ook om die reden wordt de ene verpleegkundige vaker met agressie geconfronteerd dan de andere. Hoe je reageert op incidenten heeft, naast stress en werkdruk, tevens te maken met je persoonlijkheid, je opvoeding, je eigen gevoeligheden, uitstraling en charisma.

‘Wendbaarheid is een belangrijke eigenschap voor een verpleegkundige,’ zegt Bergsma. ‘Iedere situatie vraagt om een specifieke benadering. De aard van agressie-incidenten verschilt vaak per afdeling. Op een longafdeling gaat het bijvoorbeeld vaak om langdurige contacten en patiënten die alles kwijt zijn geraakt. Vanuit die rouwproblematiek kunnen patiënten claimerig, dwingend en eisend worden. Je krijgt ze bijvoorbeeld de spreekkamer niet meer uit omdat ze maar vragen blijven stellen. Op een afdeling neurologie krijgen verpleegkundigen vaak te maken met familieleden die helemaal in paniek zijn omdat vader het ene moment nog stond te schoffelen en het andere moment op de grond lag. De paniek kan leiden tot dwingend en eisend gedrag. Als verpleegkundige moet je je als een kameleon naar die specifieke situaties kunnen voegen.’

‘De organisatie moet een duidelijk beleid hebben over hoe medewerkers moeten handelen bij grensoverschrijdend gedrag

Bos verdeelt mensen in water- en rotstypes. Watertypes zijn van nature toegeeflijker en bewegen vaker mee met de situatie omdat ze de relatie centraal stellen. Terwijl rotstypes eerder geneigd zijn om op hun strepen te gaan staan omdat ze regels heel belangrijk vinden. Volgens Bos zijn de meeste verpleegkundigen watertypes en vragen de meeste agressiesituaties in de zorg ook om die benadering. ‘Als mensen lang moeten wachten en daardoor geïrriteerd raken, dan ebt de agressie weg als je tegen die patiënt zegt dat dat inderdaad heel vervelend is en excuses maakt.’ In andere situaties, bijvoorbeeld bij bedreigingen of seksuele intimidatie, is het belangrijk om ook rots te kunnen zijn. In de trainingen die ze geeft, oefenen de verpleegkundigen in het aannemen van beide houdingen. Bos: ‘Ik heb echter gemerkt dat het makkelijker is voor watertypes om de rotshouding te leren dan andersom. Rotstypes vinden het vaak vernederend voor zichzelf om de patiënt gelijk te geven.’

Bespreekbaar maken
Volgens Bergsma is het verder belangrijk dat de organisatie goed en duidelijk beleid heeft over hoe medewerkers moeten handelen bij grensoverschrijdend gedrag. ‘Dat geeft verpleegkundigen zoveel meer stevigheid. Dan is het veel makkelijker om onwenselijk gedrag te begrenzen en tegen een patiënt te zeggen: “Meneer, dit is niet de manier waarop wij in deze organisatie met elkaar omgaan.”’ Ook vindt hij dat verpleegkundigen de verplichting hebben om zelf bij de werkgever te melden wat ze nodig hebben. ‘Als de werkdruk erg hoog is en je merkt dat de irritatie oploopt, dan moet je dat aangeven.’

Ook Anouk ten Arve, programmamanager Gezond werken bij IZZ, benadrukt het belang van een gezond werkklimaat. ‘Dat betekent ook dat gevoelens van onveiligheid bespreekbaar moeten zijn in het team en idealiter met de bestuurder gedeeld kunnen worden. Wij zien dat in organisaties waar dat gebeurt de spanning, de werkdruk en dus ook de agressie-incidenten afnemen.’

Soms doen praktische oplossingen wonderen. Ten Arve geeft als voorbeeld de verbouwing van de spoedeisende hulp (seh) van het Amsterdam UMC, locatie AMC. ‘Een van de doelen was om agressie van patiënten te verminderen. Mensen die binnenkomen, krijgen nu projecties op een lichtwand te zien die al rustiger maken. Verder is er lekkere koffie en er zijn goede stoelen. Het wachten wordt zo aangenaam mogelijk gemaakt. Bovendien geven medewerkers heel duidelijk aan hoe lang de patiënten moeten wachten. Geen goede informatie krijgen wekt immers ook irritatie en agressie op. In ons onderzoek naar psychosociale arbeidsbelasting onder medewerkers bij negentien seh’s scoorde het AMC inderdaad het laagste op het item agressie-incidenten.’

’Na een agressie-incident kan iemand het beste opgevangen worden door een collega die hetzelfde werk doet’

Goede opvang
Een patiënt die je uitscheldt, betast of zelfs een klap geeft. Het kan een heftige ervaring zijn. Maar of die ervaring traumatisch wordt en leidt tot chronische angstgevoelens en verzuim, hangt af van de opvang. ‘Een collega kan het beste opgevangen worden door iemand die hetzelfde werk doet,’ vertelt Ten Arve. ‘Er zijn bijvoorbeeld goede ervaringen met peer support: medewerkers die speciaal worden opgeleid om collega’s na een traumatische ervaring op te vangen.’

Ook Verdiesen en Bos benadrukken dat de eerste collegiale opvang heel belangrijk is. ‘Laat iemand zijn verhaal vertellen en neem het incident serieus,’ adviseert Verdiesen. ‘ Bagatelliseer het niet door dingen te zeggen als: “Ach, trekt het je niet aan, dat is gewoon een vieze man.” Bos: ‘Belangrijk is dat de verpleegkundige niet subtiel de schuld krijgt. Dus zeg vooral geen dingen als : “Dan had je maar niet alleen naar die patiënt moeten gaan.” Of: “Ik was bij die patiënt nooit met mijn rug naar hem toe gaan staan.” Dat je als team je collega niet laat vallen, dat is cruciaal voor de verwerking van het voorval.’

Noten

1 Waarom zorg zo vaak op agressie botst, De Standaard, 15 februari 2018

Hoe reageer je op agressie?
Trainers verdelen agressie-incidenten grof weg in drie categorieën:

Frustratie-agressie/situationele agressie
Deze vorm van agressie komt voort uit emotie en wordt vaak gevoed door angst en pijn. Patiënten raken geïrriteerd en agressief vanuit onmacht en frustratie. Ze hebben het idee dat er niet genoeg tijd en aandacht voor hen is. Vaak gaat het om emoties die langzaam oplopen. Denk aan patiënten die lang hebben moeten wachten in de aanmeldzaal en vervolgens nog eens een half uur moeten wachten omdat de specialist uitloopt. Verreweg de meeste incidenten in de zorg zijn te scharen onder frustratieagressie/situationele agressie .

In deze situaties is een vriendelijke, begripvolle houding de manier om de irritatie te dempen en te voorkomen dat het incident escaleert. Bergsma adviseert om een drieslag toe te passen: laat de ander uitrazen, erken hem vervolgens in zijn gevoel, door bijvoorbeeld te zeggen dat het inderdaad heel vervelend is dat hij zo lang heeft moeten wachten. Pas daarna leg je uit waarom het op die manier gegaan is. Een eventuele begrenzing komt pas goed aan als eerst erkenning is gegeven.

Instrumentele agressie
Hierbij gaat het om pesten, dreigen, een grens zoeken en/of seksuele intimidatie. Vaak wordt de agressie ingezet als instrument om iets gedaan te krijgen. Denk aan iemand die zijn medicatie wil hebben vóór de afgesproken tijd en zegt: ‘Mensen die mij kennen, spreken mij niet tegen.’ Bij seksuele intimidatie kan het gaan om uitspraken als: ‘Met jouw vriend zou ik wel eens een nachtje willen ruilen’ of een hand op een bil leggen.

In deze situaties is begrenzing vereist. Het gedrag zal niet vanzelf stoppen. Hoe stel je op een goede manier een grens?

  • De persoon aankijken.
  • Rechtop gaan staan, jezelf groot maken.
  • Je stem lager maken.
  • Stap naar voren zetten en duidelijk je boodschap verkondigen en gedrag benoemen. Bijvoorbeeld: ‘U schreeuwt tegen mij. Dat vind ik niet prettig, als u rustig tegen mij praat dan kunnen we erover praten.’
  • Stel iemand voor de keuze: gedrag stoppen of consequenties aanvaarden (bijvoorbeeld aangeven dat je de patiënt/cliënt niet meer verpleegt als hij zijn gedrag niet verandert).
  • Voorkom een impulsieve, primaire reactie. Houd je eigen emoties onder controle.
  • Niet (glim)lachen.
  • Niet naar beneden kijken.

Willekeurige agressie
Hierbij gaat het om agressie die bijvoorbeeld voortkomt uit een psychose, delier, dementie, of het gebruik van drank of drugs. Probeer op een vriendelijke en positieve manier contact te maken. Ga niet in discussie. Schakel hulp in en houd afstand. Probeer geen held te zijn in levensbedreigende situaties, maar zorg voor een veilige uitweg.

Blogger Marjolein: ‘Ik ben er klaar mee’
‘Op onze afdeling Chirurgie/Urologie is de werkdruk moordend. Met man en macht proberen we 40 patiënten te verplegen. We rennen ons ellendig en nuttigen onze avondmaaltijd half staand op de zusterspost. En als we ’s avonds gebroken in bed liggen fluisteren onze stappentellers ons in dat we 12 kilometer hebben gelopen, alleen al tijdens de dienst. Omdat we overal tegelijkertijd moeten zijn, begrijp ik dat dit ten koste gaat van oprechte individuele aandacht en tijd voor de patiënt. Ze voelen dit en sommigen komen in opstand.
Maar dat in opstand komen, dát is waarover ik me verbaas. Het is niet meer een normaal gesprek dat op gang komt, maar steeds vaker een sneer, een persoonlijke veeg uit de pan. Als professional probeer je te balanceren tussen opkomen voor je standpunt en blussen van de brand. En dit allemaal op een rustige, geduldige manier. Maar wat als daar agressie en bedreiging bij komen kijken?
Steeds vaker komen we machteloos en huilend bij elkaar omdat we zijn uitgescholden of bedreigd. Wij zijn de eerste linie in het gevecht en vangen de eerste klappen op. Wat maakt mensen meteen zo boos? Laatst werd ik weer agressief benaderd, terwijl ik uit de grond van mijn hart probeerde om goed voor iemand te zorgen. Ik werd voor prutser uitgemaakt en persoonlijk gekleineerd. En voor de eerste keer in mijn professionele carrière trok ik een grens: tot hier en niet verder. Ik laat me niet meer uitschelden. Excuses achteraf, bemiddelingsgesprekken, brandjes blussen: ik ben er klaar mee. Wat de reden ook is, ik wens zo niet behandeld te worden.’

Ingekorte versie van de gastblog ‘Ik laat me niet meer uitschelden’, van oncologieverpleegkundige Marjoleine, 13 november 2018

Gepubliceerd in Nursing, februari 2019

Geplaatst in Nieuws | Laat een bericht achter

Boksen: de juiste kick?

Slaan, stoten, trappen. (Kick)boksen wordt al jarenlang gebruikt om jongeren uit de criminaliteit te houden. Maar wakkert een vechtsport niet juist agressie aan? Wat levert het op en waar moet je op letten als je het inzet?

Door Sigrid Starremans Beeld: Aad Goudappel (Jeugd en Co, augustus 2018)

Bijna iedere avond is Mourat (19) te vinden in de boksschool van Youssef Aouriaghel in Amsterdam-West. Het houdt hem van de straat, zegt hij zelf. Hij is zich kapot geschrokken toen hij een half jaar geleden in de Top400 belandde, een Amsterdams programma voor jongeren die dreigen af te glijden in de criminaliteit (zie kader).  Mourat heeft een aantal keren in de gevangenis gezeten, onder andere voor mishandeling. ‘Ik ben wakker geschud. Nu probeer ik stap voor stap mijn leven weer op te pakken.’ Boksen deed hij in het verleden ook al af en toe. Toen hij via het Top 400-programma gratis lessen kon krijgen, ging hij er graag weer mee aan de slag. ‘Ik voel me goed als ik iets met mijn lichaam doe. Ik ben een drukke jongen, ik heb ook ADHD. Op een boksbal kun je je agressie afreageren. Maar ik leer nu ook hoe ik me kan inhouden: tot tien tellen of een rondje lopen als ik boos ben.’ In de sportschool van Aouriaghel voelt Mourat zich thuis. De ‘verkeerde’ jongens van de straat komt hij daar niet meer tegen. ‘Hier trainen ook vaders van nette jongens.’

Pitbull
Amsterdam besloot vorig jaar om kickbokstrainingen als interventie in te zetten voor jongeren op de Top400-lijst en de ‘zwaardere’ groep jongeren uit de Top600. ‘Het is een sport waar deze jongeren veel belangstelling voor hebben’, is de verklaring van Renée Sievers, adviseur Top400 bij het Actiecentrum Veiligheid en Zorg van de gemeente Amsterdam. ‘En een interventie werkt het best als je aansluit bij wat een kind het liefste doet. We gebruiken sport als middel, bijvoorbeeld om jongeren te motiveren voor hulpverlening.’

De sport is volgens Wouter Schols, opleidingsmanager bij het Nederlands Instituut voor Vechtsport en Maatschappij (NIVM), een goede methode om agressie expliciet te maken en aan te pakken. ‘Denk aan een jongere die in bepaalde situaties opgefokt raakt, de controle kwijtraakt en er op los begint te slaan. In een boksschool kun je stapsgewijs toewerken naar zo’n situatie. Op dat moment moet je ze grijpen en ze leren om die agressie te kanaliseren. Bijvoorbeeld door het aanleren van ademhalingstechnieken.’

Boksen kan volgens Schols ook helpen bij het leren aangeven van grenzen. ‘In een project om schooluitval te voorkomen gebruiken we vechtsport als ondersteunend instrument. Een oefening die we leerlingen laten doen is dat de een bij de ander in een bokshandschoen stoot. De persoon die ontvangt, kan twee commando’s geven: harder en stop. Degene die uitdeelt, kan ook zeggen dat het genoeg is. Een van de meiden op een ROC waar we dit project uitvoeren was laatst zo ongelooflijk hard voor zichzelf. Ze stond tegenover een brede, grote kerel en zei alleen maar: “Harder, harder, harder.” Als die jongen niet uit zichzelf gestopt was, had ze zich de hele zaal door laten slaan. Het is duidelijk dat zij haar grenzen niet kan aangeven. Dat kun je honderd keer zeggen, maar nu kon ze het echt voelen en er met haar trainer direct mee aan de slag.’

Maar aan het inzetten van boksen als interventie kleven ook risico’s, weet Eric Lagendijk van onderzoeksbureau DSP. Hij was betrokken bij twee onderzoeken naar de relatie tussen full-contactvechtsporten – zoals kickboksen, Thaiboksen en mixed martial arts – en criminaliteit. De gemeente Amsterdam benaderde hem als adviseur. ‘Ik vond het in eerste instantie nogal naïef dat ze de sport zomaar wilden aanbieden’, vertelt hij. ‘Er kan veel fout gaan op de verkeerde sportscholen. Zeker jongeren die talentvol zijn en hun eerste titels winnen, kunnen benaderd worden door criminelen die hen bijvoorbeeld een financiële toelage aanbieden, zodat ze fulltime kunnen gaan trainen, in ruil voor gewelddadig optreden of intimidatie in de onderwereld. Deze kwetsbare jongeren vinden dat vaak stoer en kunnen daar moeilijk nee tegen zeggen.’

Ook Aouriaghel, de trainer van Mourat, weet uit eigen ervaring dat boksen ook agressie kan aanwakkeren. ‘Ik ben als kind veel gepest en ik was een heel driftige jongen. Ik ben bij boksscholen geweest waar ook dubieuze figuren trainden en de trainer alleen maar tegen je schreeuwde: “Sla hem kapot!” Ik kwam er altijd als een pitbull vandaan.’

Lagendijk adviseerde de gemeente om goede intakegesprekken te houden met de sportschoolhouders vóórdat er een contract werd afgesloten. ‘Kijk hoe ze georganiseerd zijn, wie er komen, hoe de sfeer is en of ze het Fight Right Keurmerk van het NIVM hebben.’ Het NOC*NSF stelde een aantal richtlijnen voor waaraan sportscholen zich moeten houden. Het gaat onder meer om veiligheidsmaatregelen bij wedstrijden en een pedagogisch verantwoorde manier van lesgeven. Voldoet een club daar niet aan, dan kan het Fight Right Keurmerk ingetrokken worden. Dit keurmerk is drie jaar geldig , daarna volgt een herkeuring.

Rituelen
Andere gemeenten en jeugdzorginstellingen zetten kickboksen al jaren als interventie in. Maike Kooijmans, lector bij Fontys Hogeschool Pedagogiek onderzocht voor haar proefschrift <i>Talent van de straat</i> onder andere kickboksen als methode om jongeren uit de criminaliteit te houden. Ze concludeerde dat boksscholen een positieve bijdrage kunnen leveren aan de identiteitsontwikkeling van jongeren. ‘Maar dat hangt wel van nogal veel factoren af. De pedagogische vaardigheden van de trainer bepalen in hoge mate of de jongeren op de juiste manier geprikkeld worden.’

De strakke manier waarop de sport vaak georganiseerd is, kan een goed effect hebben op juist deze jongeren. Kooijmans: ‘Vechtsporten zijn vaak omgeven met rituelen. Je doet je schoenen uit als je binnenkomt, je groet en je kleedt je op een bepaalde manier. Veel jongeren van de straat houden zich niet aan regels en zijn dwars. Maar in de sportschool moet je je aan de regels houden om mee te mogen doen er erbij te horen. Ze willen allemaal goed worden in boksen. Daarom zijn ze tot veel bereid.’ Lagendijk vult aan: ‘Bij oosterse vechtsporten is er vaak een grote eerbied voor de docent. Daar buig je voor. De duidelijke structuur en discipline spreken juist kwetsbare jongeren aan.’

Aouriaghel is zich ervan bewust dat hij een rolmodel is voor zijn pupillen. Hij is niet zomaar een trainer, hij is ook ondernemer in de zorg en gespecialiseerd in het werken met kwetsbare jongeren. Jongeren die vanuit de gemeente of jeugdzorg bij hem worden aangemeld, krijgen de eerste tien weken privéles, met persoonlijke leerdoelen. ‘Ik praat ook veel met ze. Dat komt aan omdat ze tegen me opkijken. Zo geef ik ze mee dat kracht niet alleen zit in hard slaan, maar ook in het weerstaan van verleidingen op straat.’

Lagendijk, die met zijn onderzoeksteam de afgelopen jaren vele kickboksscholen bezocht, is erg gecharmeerd geraakt van de trainers. ‘Ze zijn vaak heel warm en staan vierentwintig uur per dag klaar voor deze jongeren.’

Stress
Uit vele onderzoeken komt naar voren dat (kick)boksen, mits in de juiste context aangeboden, een goede interventie kan zijn voor criminele jongeren. Anouk Spruit, forensisch orthopedagoog en onderzoeker bij de Universiteit van Amsterdam, plaatst daar echter een kanttekening bij. ‘Als je naar alle literatuur wereldwijd kijkt over het inzetten van vechtsport als interventie, dan zijn de uitkomsten teleurstellend. Er is namelijk nog geen enkel onderzoek gedaan waarbij de uitkomsten vergeleken zijn met jongeren die geen bokstherapie hebben gedaan. Dus eigenlijk weten we nog praktisch niks over de effecten op criminaliteit.

Er valt haar nog iets anders op. ‘Boksen wordt vaak ingezet als therapeutisch middel om gedragsproblemen te verminderen. Maar in sommige gevallen wordt het aangeboden als vrijetijdssport. En daar zitten risico’s aan, als de jongeren opgefokt raken en niet leren hoe ze de stress moeten laten zakken.’

Schols adviseert om goed na te gaan waar de agressie vandaan komt. Komt die uit de persoon zelf of meer vanuit een (criminele) groep? ‘Met boksen kun je alleen het individu beïnvloeden’, verklaart hij. ‘Bokstherapie is geen wondermiddel en altijd een aanvulling op andere interventies. Hoe meer problemen de jongere heeft, hoe meer de begeleiding vergt van de trainer.’

Volgens Lagendijk is een vechtsportinterventie niet voor iedere jongere de oplossing. ‘Ten eerste moeten ze iets hebben met vechtsport. Verder is van belang dat ze kunnen luisteren en een relatie willen opbouwen met de trainer. Bij de ene jongere kan vechtsport agressie beteugelen of helpen om zich zekerder te voelen op straat; bij anderen, met een kort lontje en weinig empathisch vermogen, werkt het als een rode lap op een stier.’

Het NIVM geeft cursussen, onder meer voor jeugdzorgwerkers die binnen hun instelling bokstrainingen willen aanbieden als agressieregulatie- of weerbaarheidstraining: nivm.nl/opleiding.

Top400
De Top400 is een aanpak van de gemeente Amsterdam voor vierhonderd jongeren die al vaak met politie en justitie in aanraking zijn gekomen, maar nog niet zo vaak als de zeshonderd jongeren uit de Top600. De Top600-jongeren staan bekend als notoire veelplegers, die meerdere malen zijn veroordeeld en aangehouden maar hun gedrag niet verbeteren. De Top400-jongeren zijn in de afgelopen vijf jaar verdacht van een of meerdere misdrijven, waaronder een High Impact Crime, zoals een overval straatroof, inbraak, mishandeling, moord, doodslag of openlijke geweldpleging. Ook is er sprake van schoolverzuim, jeugdreclassering, drugs dealen of aanhouding op jonge leeftijd (12-14 jaar).

‘We hebben er uithuisplaatsingen mee voorkomen’
Harry Schaarman, adviseur sport en zorg bij Enver: ‘Wij bieden al zo’n tien jaar boksprogramma’s aan. We hebben contracten met verschillende boksscholen. Ik ga zelf naar de clubs toe en praat met het bestuur en de trainer. Want het gaat er helemaal om wie er in de ring staat en hoe er les gegeven wordt. Als je een goede trainer hebt die echt voor de sport en voor de ontwikkeling van het kind gaat, dan is het een geweldig middel om kinderen weerbaarder te maken. Of om kinderen die snel geprikkeld zijn te leren om zich in te houden.

Het goed beheersen van een slag of een stoot is een middel om tot gedragsverandering te komen. Er zitten elementen van winnen en verliezen in. Van respect hebben voor je tegenstander en juist niets doen als je ziet dat je tegenstander zwak is. Ik heb fantastische resultaten gezien. Ik weet zeker dat wij er uithuisplaatsingen mee hebben voorkomen. Een jongen die thuis de schilderijen van de muur sloeg, kon nu zijn agressie en energie een paar uur per week kwijt in de sportschool. Toen hij zich wist te gedragen en te beheersen op de mat, kon hij dat ook thuis en op school gaan toepassen.

Bovendien is het voor kwetsbare jongeren vele malen leuker om te zeggen dat ze op boksles zitten dan dat je naar een weerbaarheidstraining gaat die ergens in een muffig zaaltje wordt gehouden.’

‘Er kwamen te veel emoties naar boven’
Mario van Tiggelen, leidinggevende bij Almata Ossendrecht: ‘ Wij hadden in het verleden een jeugdzorgwerker in dienst die ervaring had met het geven van bokslessen. Wij hebben die lessen een tijdje aangeboden. We hadden geen behandeldoel, het was een sportonderdeel waar jongeren hun energie kwijt konden. Maar wat wij zagen was dat tijdens het boksen heel veel emoties en onderliggende problematiek naar boven kwam. Jongeren gingen huilen of waren onrustig op de leefgroep na zo’n les. Je zou daarop kunnen aansluiten met therapie, maar dat was onze doelstelling niet. We hebben ook wel positieve ervaringen gehad, bij onrustige jongeren met ADHD bijvoorbeeld, die zich tijdens zo’n les echt konden ontladen. Toch hebben we de bokslessen niet voortgezet toen de medewerker bij ons wegging. We gaan nu zwemmen of een rondje lopen met onze jongeren. Dat maakt minder emoties los.’

Geplaatst in Nieuws | Laat een bericht achter

Protocollenmoeheid in de jeugdzorg

Zorg met een ziel De zorgsector richt zich teveel op regels en protocollen en te weinig op zorg met hart en ziel, stelt de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving. ‘Hulpverleners zouden sensitiviteit en wijsheid moeten ontwikkelen om op een diepere laag naar problemen te kunnen kijken.’ Lees de pdf

Geplaatst in Nieuws | Laat een bericht achter

Ervaringsdeskundigen: de nieuwe hulpverlening

De ervaringsdeskundige wint snel terrein in het sociaal domein. Maar wordt hij wel geaccepteerd, krijgt hij de ruimte? Lees mijn artikel, in januari 2017 gepubliceerd in Zorg en Welzijn. ‘Het verschil tussen de professionele hulpverlener en de ervaringsdeskundige is principieel onhoudbaar.’ Lees de pdf.

Geplaatst in Nieuws | Laat een bericht achter

Geen manager meer nodig: zelfsturing in de jeugdzorg

Met je team een budget beheren en zelfstandig beslissingen nemen over cliënten. Steeds meer instellingen gaan werken met zelfsturende teams. ‘Absurd eigenlijk dat managers voorheen oplossingen bedachten voor de werkvloer.’

In dit artikel, oorspronkelijk geschreven voor het vakblad Jeugd en Co, interviews met medewerkers in de jeugdzorg die in zelfsturende teams werken en hun (overgebleven) leidinggevenden. Tips van deskundigen en een interview met een verpleegkundige die bijna genekt werd door het werken in een zelfsturend team. Lees het artikel

Geplaatst in Nieuws | Laat een bericht achter

Werken met ervaringsdeskundigen is spannend

Werken met ervaringsdeskundigen wint terrein binnen de ggz en de verslavingszorg. De integratie van deze nieuwe medewerkers verloopt echter niet altijd even soepel, ook omdat het hele team eigenlijk op een andere manier moet gaan werken. ‘Ik haal de mens weer bij de cliënten naar boven.’

‘Er staat een cliënt in jullie kantoor. Wat doet die daar nou?’ Op de eerste dag dat Peter Pierik zeven jaar geleden als ervaringsdeskundige hulpverlener aan de slag ging in de instelling (Mediant) waar hij zelf jarenlang voor langere periodes opgenomen was geweest, werd hij gelijk herkend en ging een belletje rond. Het was het treffende startsein voor een carrière op de werkvloer die zeker in de beginperiode niet makkelijk was. ‘Mijn opmerkingen in vergaderingen werden bijvoorbeeld vaak op een handige manier genegeerd’ vertelt hij. ‘Ze deden gewoon alsof ik er niet was. Dan moet je sterk in je schoenen staan, wil je overeind blijven.’ Hij vervolgt: ‘Een collega vertelde me later heel eerlijk dat het wel anderhalf jaar heeft geduurd voordat hij mij als collega zag.’
Sanna Martha, ervaringsdeskundige hulpverlener bij Altrecht op een afdeling voor jongeren met een psychosegevoeligheid, had aanvankelijk soortgelijke ervaringen. ‘Ik werkte eerst op een andere afdeling en daar werden soms opmerkingen gemaakt die ik lastig vond. Dan werd er bijvoorbeeld gezegd: “Luister Sanna, deze methode werkt niet voor iedereen. Sommige mensen zijn gewoon ziek. Jij bent een model-cliënt.” Of: werken met ervaringsdeskundigen is nu een rage maar dat waait vast wel weer over.’’ Daar werd ik erg onzeker van.’

Label
Pierik en Martha staan niet alleen. Werken met ervaringsdeskundigen is in opmars in de ggz en de verslavingszorg. Er zijn geen officiële cijfers, de schatting is dat er 1500 tot 2000 mensen in betaalde functies werken. Daarnaast werkt een groot aantal ervaringsdeskundigen als vrijwilliger. De laatste jaren zijn er diverse opleidingen van de grond gekomen waar ex-cliënten geschoold worden tot (ervaringsdeskundige) hulpverleners. Ook enkele hogescholen hebben het vak ervaringsdeskundigheid inmiddels in de opleiding opgenomen.

Ervaringsdeskundigen gebruiken hun eigen ervaringen (in de ggz of de verslavingszorg) om het herstelproces van andere cliënten te bevorderen maar dat is niet het enige. Het gaat om een nieuwe manier van ‘herstelondersteunend’ werken. Kort gezegd wordt daarbij niet alleen gefocust op de problemen van de cliënt maar (vooral) ook op de kracht en de doelen die hij/zij wil bereiken. Sanna Martha: ‘Je vraagt niet meer als eerste: “Wat zijn je klachten en slik je je pillen nog wel?” Maar je gaat op een professionele, onderbouwde manier aan de slag met de wensen, dromen en doelen die iemand in het leven heeft.’ Pierik: ‘Wat ik heb gemist tijdens mijn eigen behandeling, is  het werken vanuit een persoonlijke context. Patiënten krijgen vaak een label opgeplakt aan de hand van classificaties en statistieken. Maar dat zegt heel weinig over de persoonlijke situatie en de kansen van die specifieke cliënt. Op een afdeling waar alleen wordt gewerkt met het medisch model, zie je de mens niet meer terug. Ik haal die mens weer bij cliënten naar boven.’

Dat de integratie van deze medewerkers niet altijd soepel verloopt, is niet verrassend. De methodieken van deze nieuwe collega’s staan in vele opzichten haaks op die van reguliere medewerkers. Zo hebben de meesten hulpverleners geleerd dat het goed is om professionele distantie te bewaren terwijl ervaringsdeskundigen persoonlijk contact juist heel belangrijk vinden. ‘De komst van ervaringsdeskundigen zorgt voor een cultuuromslag in de ggz’ zegt Paulina Sedney, die promotieonderzoek doet naar de inzet van ervaringsdeskundigheid binnen de sector. ‘Ze hebben een andere insteek en een ander visie op de behandeling. Dat kan botsen en zorgt voor verwarring. Bovendien gaat het om een beroepsgroep die voorheen klant was’ vervolgt ze. ‘Sommige hulpverleners weten niet meer wat de verhouding als de klant opeens ook zeggenschap krijgt. Daarnaast is er, ook bij hulpverleners, behoorlijk wat stigma als het om psychiatrische patiënten gaat. Ze worden niet altijd serieus genomen.’

Marianne van Bakel, projectleider ‘Herstel Empowerment en Ervaringsdeskundigheid’ op het Trimbosinstituut, vertelt dat de spanning rondom ervaringsdeskundigen eigenlijk logisch is.  ‘Instellingen die herstelondersteunend willen gaan werken nemen vaak ervaringsdeskundigen aan om ervoor te zorgen dat het team zich anders gaat gedragen. Dat wordt ze niet altijd in dank afgenomen en staat soms haaks op het gevoel van het team dat het goed bezig is.’ Als projectleider HEE heeft Van Bakel meegewerkt aan een landelijk project met achttien ggz-instellingen rondom de inzet van ervaringsdeskundigen. Er zijn nog veel verbeteringen nodig weet ze. Maar toch: ‘De meeste ervaringen zijn toch positief.’

Iedereen heeft ervaringen
Wat is er voor nodig om de herstelondersteunend te gaan werken en de komst van ervaringsdeskundigen goed te laten verlopen in de organisatie? [zie ook kader]. Volgens Martha moet je in elk geval niet één ervaringsdeskundige invliegen die de luis in de pels moet zijn en het hele team wakker moet schudden, zoals nu vaak gebeurt. ‘Er is veel meer nodig om een team richting herstel te krijgen ’ Pierik benadrukt: ‘Je bent er niet door de visie van herstelondersteunend werken op een A-viertje te schrijven en dat uit te delen. Ook een presentatie geven, heeft weinig effect. Om de teamcultuur te veranderen, moet het elke dag opnieuw aan de orde komen.’

Pierik en Martha hebben nu overigens wel hun draai gevonden in de organisatie. Belangrijk is geweest dat herstelondersteunend werken nu als visie ingebed is in de organisatie. Toen Pierik startte was dat nog niet het geval. Bovendien werkt Sanne Martha nu in een ander team dat sowieso positiever staat tegenover de werkwijze van ervaringsdeskundigen. ‘Bij ons gebruiken andere hulpverleners inmiddels ook hun eigen ervaringen in het werk’ vertelt ze. ‘Iedereen heeft immers ervaringen, als het bijvoorbeeld om thema’s als uitsluiting en verlies gaat. Het delen daarvan is een manier om een gelijkwaardigere relatie en een vertrouwensband met de cliënt op te bouwen.’

Volgens Pierik is het ook helemaal niet erg dat het inpassen van ervaringsdeskundigen in de organisatie niet van een leien dakje gaat. ‘Dat is juist de kracht, dat het feit dat jij er bent heel veel oproept.  Vervolgens is het de bedoeling samen op een constructieve manier stappen te zetten in dat proces.’ Ook Martha is optimistisch:  ‘Als je alle ontwikkelingen volgt, dan zie je dat het medische model op zijn retour is. Hulpverleners kunnen niet meer om herstelondersteunende zorg en dus niet om de ervaringsdeskundige heen.’

[kader]

‘Samenwerking met hbo en mbo is belangrijk’
Jos Oude Bos, onder andere, ervaringsdeskundige en mede-oprichter kennisnetwerk Het Zwarte Gat:  ‘In de verslavingszorg wordt al lange tijd met ervaringsdeskundigen gewerkt. In 2010 is in een convenant, opgesteld door de cliëntbeweging, met de instellingen bekrachtigd dat ervaringskennis de derde kennisbron moest zijn in de verslavingszorg, naast professionele en wetenschappelijke kennis. Dat betekende dat alle instellingen met ervaringsdeskundigen moesten gaan werken.
Ook in de verslavingszorg verloopt de integratie niet altijd soepel. Dat komt ook doordat ervaringsdeskundige werkers vroeger niet altijd goed voorbereid waren op hun taak. Die aannames zijn lang in de instellingen blijven hangen.
Zelf heb ik, onder andere, vijf jaar als ervaringsdeskundige beleidsmedewerker bij Verslavingszorg Noord Nederland gewerkt. Het was mijn taak om deze zorg te implementeren maar makkelijk was dat zeker niet. De reguliere medewerkers boden veel weerstand. “Heb ik jarenlang geleerd om het nu anders te doen?,”  was een uitspraak die ik geregeld heb gehoord. Toen er bij een reorganisatie ook nog eens veel ervaringsdeskundigen werden ontslagen, heb ik mezelf ook boventallig laten verklaren.
Het is moeilijk om mensen te veranderen. Het is een proces dat tijd nodig heeft. Ik denk dat het belangrijk is om samen te werken met mbo- en hbo-opleidingen, zodat ook reguliere werkers in de toekomst op een andere manier worden opgeleid.’

[kader]

Tips om de inzet van ervaringsdeskundigen goed te laten verlopen:

  • Zorg dat er op bestuurlijk niveau ondersteuning is voor de inzet van ervaringsdeskundigen.
  • Realiseer je dat je een ander soort functie in huis haalt dan dat je al hebt. Investeer in een verandertraject, voorlichting en training voor de medewerkers. Zorg dat er draagvlak is binnen de organisatie.
  • Bedenk als organisatie wat verwacht wordt van een ervaringsdeskundige en verdiep je in de functie. Ervaringsdeskundigen werken in allerlei functies: trainer, hulpverlener, adviseur etc. Deze functies vereisen telkens andere vaardigheden.
  • Zet alleen ervaringsdeskundigen (met een opleiding) in die geleerd hebben om hun ervaringen op een goede manier te gebruiken.
  • Neem ruimte om te experimenteren. Vaak stoppen teams/organisaties ermee op als de samenwerking met ervaringsdeskundigen niet snel soepel loopt. Doe dat niet, beschouw het traject als een leerproces.
  • De handreiking inzet ervaringsdeskundigheid in de ggz is gratis te downloaden op de website van het Trimbosinstituut.

Gepubliceerd in Zorg en Welzijn

Geplaatst in Nieuws | Laat een bericht achter

Déél die ervaringen!

Artikel over de inzet van ervaringsdeskundigheid in de jeugdzorg voor het vakblad Jeugd en Co. Hier en daar gebeurt het: hulpverleners met een jeugdzorgverleden zetten hun eigen ervaringen in op hun werk; ex-cliënten vertellen professionals hoe zij graag bejegend hadden willen worden. Zou ervaringsdeskundigheid meer benut moeten worden?

Interviews met jeugdhulpverleners en deskundigen. ‘Het gaat te weinig over: wat doet dit probleem met dit kind? Wat betekent het voor een ouder om daar dagelijks mee om te gaan?’ Lees het artikel.

 

 

 

 

Geplaatst in Nieuws | Laat een bericht achter

Pilletje voor mensen met dementie? Het kan anders

‘Ken de mensen, verdiep je echt in ze’
Agressie, veel rondlopen, afwerend gedrag: iedere verzorgende weet dat de omgang met dementerende ouderen niet altijd makkelijk is. Een pilletje geven is nu vaak de oplossing maar het kan ook anders. In verpleeghuis Park Boswijk in Vught vond een omwenteling plaats. De verzorgenden leerden op een andere manier werken. In VillaKeizerskroon in Maastricht krijgt geen enkele bewoner psychofarmaca. Artikel gepubliceerd in het Tijdschrift voor Verzorgenden.

 

Geplaatst in Nieuws | Laat een bericht achter

Hoarding: Nee, dat mag echt niet weg!

Nee, dat mag écht niet weg!
Huizen die compleet volgestouwd zijn met tijdschriften, kranten, oude apparaten of andere spullen. Sommige mensen kunnen echt niks weggooien en zijn zo gehecht aan spullen dat het een ziekte wordt. Het AMC heeft sinds kort een behandeling. Ik interviewde drie patiënten. Lees het artikel of de pdf.

Meer weten over de fotograaf die de mooie foto’s bij het artikel maakte? Kijk op http://simonwaldlasowski.com/

Meer weten over hoarding? Ik schreef er diverse artikelen over, onder andere voor de vakbladen Zorg en Welzijn, BijZijn en Het Tijdschrift voor Verzorgenden. Mijn artikel voor Medisch Contact staat ook op deze site.

Tip:
In het boek Problematische Verzamelaars laten diverse deskundigen hun licht schijnen over hoarding.

Lees verder

Geplaatst in Nieuws | Laat een bericht achter